Wat moet, wat mag in het primair onderwijs?

Interview door: Manny Moerman

————————————————————————————————————

 

Het is een jaarlijks terugkerend fenomeen waar maar weinig scholen naar uitkijken: het bezoek van de Inspectie. De voorbereiding op zo’n bezoek wordt veelal als enerverend ervaren en soms is er zelfs sprake van enige paniek. Hoe komt dat toch? En is dat wel terecht? Juridisch adviseur voor het Onderwijs Sascha Brasz vindt van niet. Zij is in de materie gedoken en ziet voor scholen vooral alle ruimte om hun eigenheid vorm te geven.

 

Sascha Brasz: “Regelmatig stellen besturen uit het primair onderwijs mij de vraag: “Wat moet en wat mag nu eigenlijk van de Inspectie?” Die vraag intrigeert me. Want hiermee maakt de vragensteller mij duidelijk dat de focus vooral daarop ligt: op het toezicht door de Inspectie. Maar daar begint de kwaliteit van ons onderwijs niet mee. En als ik dat aangeef, zie ik vrijwel altijd verraste blikken.”

 

Hoe zit het dan precies?

Het is vrij eenvoudig, zo legt Brasz uit. De kwaliteit van onderwijs is primair geregeld in de Grondwet. Daarin staat dat de overheid moet zorgen voor onderwijs: iedereen moet naar school kunnen. Tegelijkertijd stelt de wet dat er vrijheid is van onderwijs, wat inhoudt dat de overheid zich niet teveel met het onderwijs mag bemoeien. De Grondwet onderscheidt daarnaast drie deugdelijkheidseisen: je personeel moet bekwaam zijn, het moet zedelijk zijn en je moet toezicht toestaan op de naleving van de wettelijke (minimum)eisen. De gedachte erachter is: als je personeel bekwaam en zedelijk is, dan komt het met de kwaliteit wel goed. Brasz: “En dat is eigenlijk iets heel moois. Ze zeggen feitelijk: jullie zijn de professionals, jullie weten hoe je kwalitatief onderwijs vormgeeft.”

 

Is dat alles?

Brasz: “Nee, zou eenvoudig is het nu ook weer niet. Aanvullend zijn er namelijk nog enkele lagere wetten van belang: zoals de Wet PO en de Wet WOT. Deze wetten regelen zaken die betrekking hebben op de minimumeisen waaraan onderwijs moet voldoen. Denk daarbij aan wettelijke kerndoelen, eisen aan taal en rekenen.”

 

Wat is binnen dit kader de rol van de Inspectie?

Brasz: “Goede vraag. Kijk, ik snap wel dat mensen belang hechten aan het oordeel van de Inspectie. Niemand van ons wil een slecht rapport. En het rapport van de Inspectie is wel degelijk van waarde. Het is alleen belangrijk te beseffen wat die waarde precies is. De inspectie houdt toezicht op de wettelijke deugdelijkheidseisen. De kwaliteitsaspecten, die de basis vormen voor het toezichtskader, omvatten deels deze wettelijke deugdelijkheidseisen, en deels eigen inzichten van de inspectie. De afgelopen jaren is door deze vermenging ten onrechte de indruk ontstaan dat je als school aan alle normen van het toezichtkader moet voldoen. Maar dat is dus niet zo.”

 

Toch wordt de rol van de Inspectie als zwaarder ervaren.

“Daar lijkt het wel op. Waar het misgaat –ik zeg het bewust even zo stellig- is dat de rapporten van de Inspectie vooralsnog geen helder onderscheid maken tussen het toezicht op de wettelijke minimumeisen en de bevindingen over de ‘door de overheid gewenste vorm van kwaliteit’. Deze lopen in het rapport door elkaar. Terwijl alleen het gedeelte dat het werkelijke toezicht betreft hetgeen is dat een school zich hoort aan te trekken. Daar gaat het immers over de wettelijke deugdelijkheidseisen. Het interessante is nu dat er momenteel een Wetsvoorstel Doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht  bij de Eerste Kamer ligt. Met deze wijziging komt er meer nadruk te liggen op het schoolplan en de eigen visie op kwaliteit. Deze twee aspecten gaan een belangrijke rol spelen bij het toezicht op het onderwijs van een school. Dit wetsvoorstel regelt dat in de toekomst (vermoedelijke ingangsdatum 1 juli 2017) de scheiding tussen het oordeel over de naleving van de wettelijke eisen aan de ene kant en de stimulerende bevindingen van de inspectie aan de andere kant veel duidelijker is. Alleen als je niet aan de wettelijke eisen voldoet, kunnen er wettelijke sancties volgen; en dat geldt overigens nu ook al.”

 

Welke ruimte heeft een school dan precies?

“Veel dus, heel veel,” zegt Brasz onomwonden. “Het gaat erom dat je zelf als school nadenkt over wat voor jou kwaliteit van onderwijs is, en de wijze waarop je die kwaliteit wilt borgen. Je kunt dus prima je eigen visie ontwikkelen en uitvoeren, zolang je aan de minimum kwaliteitseisen voldoet. Kinderen moeten bijvoorbeeld een ononderbroken ontwikkeling doormaken. Wat je dus moet doen is ervoor zorgen dat je die ontwikkeling kunt volgen, vastleggen en rapporteren. Dat is wat de Inspectie wil zien. Betekent dit dat je aan alle voorgelegde criteria moet voldoen? Nee. Stel, je kunt je vanuit je richting niet verenigen met de wettelijke kerndoelen, dan mag je daarvan afwijken onder bepaalde voorwaarden. In het toezichtkader van de Inspectie staan indicatoren waarnaar de inspecteurs kijken en waarop ze beoordelen. In datzelfde toezichtkader staat ook: ‘Pas toe of leg uit’. Dit betekent dat als je wilt afwijken, dat je proactief uitlegt dat een indicator niets kan zeggen over de kwaliteit van jouw onderwijs. Bij die uitleg hoort dat je je daarover verantwoordt. Een voorbeeld? Een inspecteur kan aangeven dat hij of zij wil zien hoe er klassikaal les gegeven wordt. Maar dat doen sommige scholen helemaal niet. Ben je dan een slechte school? Nee. Dat is nu net jouw vrijheid van onderwijs, en daar gaat de inspectie niet over.”

 

Waar begint de kwaliteit?

“De kwaliteit begint bij de school zelf. En dat is maar goed ook, want ouders kiezen toch niet voor niets voor jouw school! Zij vertrouwen op jouw visie en rekenen erop dat je conform die visie de kwaliteit borgt. Mocht je het nu niet eens zijn met een oordeel van de Inspectie, dan is mijn advies heel eenvoudig: ga in gesprek. Vraag aan welk wettelijk aspect je niet voldoet. Verdiep je ook verder in deze materie. Wist je dat het afnemen van jaarlijkse CITO-toetsen geen wettelijke eis is? Het CITO-LOVS of überhaupt een digitaal LVS is niet verplicht. Ook de kleuter-toets is niet verplicht. En dat je tussenresultaten op taal en rekenen voldoende moeten zijn is ook geen wettelijke eis. “

 

Pak die ruimte

“Kom je er nu niet uit met de inspecteur, dien dan een klacht in. Of ga naar de rechter. Met het wetsvoorstel wordt het laagdrempeliger zo te acteren; het benoemt namelijk expliciet de mogelijkheid om in bepaalde gevallen bezwaar in te dienen en eventueel in beroep te bij een rechter. Net zoals dat mogelijk is bij beslissingen van de gemeente, de belastingdienst, etc. Dit is voor scholen erg belangrijk. Immers, juist daardoor komt er duidelijkheid en meer diversiteit, wat cruciaal is voor de kwaliteit van ons onderwijs. Wat daarvoor nodig is?” vraagt Brasz. “Dat scholen hun ruimte pakken. En daar hoort bij dat je je daarover verantwoordt.”

 

 

Dit interview is in een verkorte versie verschenen in het Montessori Magazine van maart 2016, en is in zijn geheel te lezen op www.montessorinet.nl.